Smeekbede van het reizen

Smeekbede van het reizen

Abdoellaah Ibn ‘Omar moge Allaah tevreden over hen zijn heeft verhaald dat de Boodschapper van Allaah ﷺ de gewoonte had, wanneer hij zijn kameel besteeg om te reizen, de Tèkbier uit te spreken:

اللَّهُ أكبَرُ، اللَّهُ أكبَرُ، اللَّهُ أكبَرُ،

En hierna zei hij:

“سُـبْحانَ الَّذِي سَخَّـرَ لَنَا هَذَا وَمَا كُنَّا لَهُ مُقْـرِنيِنَ، وَإِنَّا إِلَى رَبِّنَا لَمُنْقَلِبونَ.”  [الزخرف : 13-14]

، اللَّهُمَّ إِنَّا نَسْأَلُكَ فِي سَفَرِنَا هَذَا الْبِرَّ وَالتَّـقْوَى، وَمِنَ الْعَمَلِ مَا تَرْضَى، اللَّهُمَّ هَوِّنْ عَلَيْنَا سَفَرَنَا هَذَا وَاطْوِ عَنَّا بُعْدَهُ، اللَّهُمَّ أَنْتَ الصَّاحِبُ فِي السَّفَرِ، وَالْخَلِيفَةُ فِي الأَهْلِ، اللَّهُمَّ إِنِّي أَعُوذُبِكَ مِنْ وَعْثَاءِ السَّفَرِ، وَكَآبَةِ الْمَنْظَرِ، وَسُوءِ الْمُنْقَلَبِ فِي الْمالِ وَالأَهْلِ.

Allaahu ‘Akbar, Allaahu ‘Akbar, Allaahu ‘Akbar,

Subhaanal-lathee sakhkhara lanaa haathaa wa maa kunnaa lahu muqrineen. Wa ‘innaa ‘ilaa Rabbinaa lamunqaliboon.

Allaahumma ‘innaa nas’aluka fee safarinaa haathal-birrawattaqwaa, waminal-‘amalimaa tardhaa, Allaahumma hawwin ‘alaynaa safaranaa haathaa watwi ‘annaa bu’dahu, Allaahumma ‘Antas-saahibu fis-safari, walkhaleefatu fil-‘ahli, Allaahumma ‘innee ‘a’oothu bika min wa’thaa’is-safari, wa ka’aabati-mandhari, wa soo’il-munqalabi fil-maali wal’ahli.

“Allaah is de Grootste, Allaah is de Grootste, Allaah is de Grootste.

‘Vrij van onvolkomenheden is Degene Die ons dit (vervoermiddel) dienstbaar heeft gemaakt, terwijl wij daartoe niet in staat zijn. En voorwaar, tot onze Heer zullen wij zeker terugkeren.’ [Surah az-Zukhruf, Vers. 13 – 14]

“O Allaah, wij vragen U goedheid en At-Teqwaa (Godsvrees, vroomheid) tijdens deze reis en daden die U behagen. O Allaah, verlicht deze reis voor ons en maak voor ons de (lange) afstand korter. O Allaah, U bent Degene Die ons in deze reis vergezelt en Degene aan Wie we de zorg voor onze familie toevertrouwen. O Allaah, ik zoek toevlucht bij U tegen de ontberingen van deze reis, tegen nare uitzichten en tegen slechte veranderingen van ons bezit en onze familie bij terugkeer.”

[Sahih Muslim 2/998]

Genomen uit het boek: [Vertaling & Uitleg van Hisn el Moeslim, Bladzijdes. 258 – 259 | Vertaling & Uitleg door Ustaadh Abu Khaalid Muhammad ibn Muhammad]